ZENDING – ANDERS EN INSPIREREND

 

Duur, verspillend en weinig effectief. Asjeblieft! Dat is de zending. Dat is frustrerend en demotiverend. Bureaucratisch. Langzaam. En het allerergste: weinig missionair. Het wordt tijd de zending anders aan te pakken.

Het bestaansrecht van veel zendingsorganisaties lijkt te bestaan uit aangename en interessante gemeenteavonden in den lande. Daar komt het geld binnen. Maar wat gebeurt er aan zending? Hoeveel mensen komen tot geloof? Hoeveel kerken worden – mede door hulp vanuit Nederland – elders in de wereld gesticht? Dat zijn de basisvragen. Er zijn ook wel andere taken. Maar een sportteam dat geen punten haalt, kan beter opgedoekt worden. Een bedrijf dat verlies leidt ook. Een vastgeroeste zendingsorganisatie? Ook!

Dure kantoren, dure medewerkers, veel vergaderingen. Maar weinig voortuitgang op ‘t veld. Er zijn grote, rijke zendingsorganisaties, maar met weinig geestelijke vrucht. Hun achterban neemt hun niets kwalijk en blijft betalen. Zending is vreemd en ver. Dat maakt de gelovigen weinig kritisch. Vaak is de directe verkondiging vervangen door sociale projecten, kerkbouw en dergelijke ondersteunende activiteiten. Ondersteuning is soms nodig. Maar WAT verdient die ondersteuning?

Een hoofdtaak kun je, waar nodig, ondersteunen. De taak waar het om gaat is het zendingsbevel van Jezus. Dat houdt niet in: goede dingen doen, maar: het Evangelie zo te verbreiden dat mensen erdoor behouden kunnen worden. Ondersteunende activiteiten kunnen die boodschap niet vervangen.

Wat is de precieze opdracht van degenen die we naar het buitenland sturen? Soms lijkt het erop dat we de verkeerde mensen naar de verkeerde plaatsen sturen om op de verkeerde manier verkeerde taken te vervullen. Wat doen ze eigenlijk? Is hun werk echt nodig? Is het effectief? Zo niet, wat moeten ze daar dan?

Er worden zeker mooie dingen gedaan door ‘de zending’. Dank de Heer daarvoor. Maar ik schrik vaak van het gebrek aan kwaliteit en effectiviteit. Dat zal ik nader uitwerken.

De eerste vraag die opkomt is: Wat is zending?

 

Wat is zending?

Zending (missie) is de verkondiging van het Evangelie in andere culturen. Het is niet anders dan evangelisatie, verkondiging of ‘de verbreiding van het Goede Nieuws’, zoals dat in de Bijbel heet. Alleen zijn er enkele complicerende factoren: culturele- en taalverschillen plus vaak een grote afstand. Is dat het geval, dan noemen we evangelisatie: zending.

Zending is in de eerste plaats: verkondiging. Gezondheidszorg en onderwijs, lange tijd gezien als onmisbare onderdelen van de zending, zijn niet anders dan ondersteunende activiteiten. Je kunt ze desnoods overslaan. Dat geldt zeker voor landen waar de overheden de zorg voor haar onderdanen goed geregeld heeft. Onderwijs of gezondheidszorg kun je geen zending noemen als de verbale verkondiging ontbreekt.

Zending is er niet alleen om de buitenstaanders te winnen. Zending heeft ook een boodschap voor Christenen. Ze wil hen inspireren en de kerken meer missionair maken.

 

De boodschap

Een zendeling zonder boodschap is als een bakker zonder brood. Van de beroepszendeling mag verwacht worden dat hij/zij het Evangelie goed en inspirerend kan overbrengen. De boodschap van kerk en zending is een bekeringsboodschap. Mensen worden opgeroepen het oude leven achter zich te laten en een nieuw leven te beginnen. Ze vinden vergeving van hun zonden en leggen daarvan getuigenis af door de doop. Geen levensvernieuwing? Geen doop!

 

Een heldere boodschap is een must, of de zendingswerker zaait alleen maar verwarring. Wie niet meewerkt, werkt tegen, of is op zijn minst de anderen (lokale kerken, zendingsteam) tot last. Bekeerde mensen vormen nieuwe geloofskernen, die kunnen uitgroeien tot een lokale gemeente. Ook de beroepskracht in de zending die geen theoloog is, werkt hierin mee. Getuigenis is geen specialisme, maar een opdracht voor elke gelovige.

 

Wie kunnen zendeling worden?

Wie kunnen er zendeling worden? Volgens de klassieke opvatting: mensen met een roeping, een gedegen opleiding (meestal medisch, onderwijskundig of theologisch) en een aanstelling door een kerk of zendingsinstelling. Volgens mij kun je geen zendeling worden. Je bent het wél of níet. Wie nu geen zendeling ís, zal het nooit worden. Die persoon wordt een internationale bureaucraat, zoals ook de Verenigde Naties er over duizenden beschikken. Maar wat is de waarde daarvan voor kerk en geloof?

‘Ieder mens is óf zendeling óf zendingsveld’ is een puntig gezegde. Wie gelooft, heeft iets te vertellen, wie niet gelooft moet iets horen, want geloof volgt op het horen van het Woord.

Wat heb je nodig om (beroeps-)zendeling te worden? A. Roeping, opleiding en aanstelling. Dat is een gangbare trits, in sommige verwaterde denominaties vereenvoudigd tot: opleiding en aanstelling. (Dat is beroerd weinig!) Of: B. Geloof alleen. Maar geloof uit zich in daden. Dus: een actief en daadkrachtig geloof als vereiste voor de a.s. zendingswerker. Ik kies voor B, aangevuld met A. Dus: niet alleen A. Dan krijg je: Geloof, effectiviteit, roeping, opleiding, aanstelling. De laatste twee gelden alleen voor de beroeps-zendeling.

Een aspirant beroepszendeling moet kunnen aantonen dat hij in eigen land al een voortrekker is in de geloofsverkondiging. Zo niet, dan valt hij af. Wie in eigen land geen zendeling is, zal het in den vreemde nooit worden. Ook van mensen die in ondersteunende functies worden uitgezonden (vertalers, leraren, medisch personeel, ICT-ers e.d.) mag verwacht worden dat ze actieve getuigen zijn. Zij vertegenwoordigen in den vreemde de kerk en haar boodschap. Zien ze nooit iemand tot geloof komen? Dan zijn ze niet geschikt voor een zendingstaak.

Hoewel roeping een zeer subjectieve ervaring is, is dat nog geen reden om er geen aandacht aan te schenken. Wie een sterke roeping ervaart, blijft gewoonlijk langer op zijn post en werkt beter dan iemand zonder die overtuiging.

Natuurlijk wegen ook gaven en vaardigheden zwaar mee. De werker zal goed moeten kunnen communiceren, lesgeven en evangeliseren en moet pastoraal bewogen zijn, al naar gelang zijn toekomstige taken. Allicht weegt ook zijn opleiding mee, want waarom zou je iemand erop uit sturen voor iets wat de mensen ter plekke al kunnen? Toch zijn kennis en vaardigheid secundair, omdat het gemakkelijker is om kennis aan te vullen dan karakters te veranderen.

Jaar en dag werd er vooral naar ‘de goede opleiding’ gekeken. Dat is een van de redenen voor het falen van veel zendingswerk. Iemand wordt geen brenger van het Goede Nieuws door zijn aanstelling. Wie in eigen land geen kerk kan opbouwen, mensen kan bekeren of hen pastoraal kan begeleiden, kan dat in het buitenland ook niet. Wie de moderne heiden hier niet aan kan, heeft elders niets te zoeken.

Wanneer het gaat om een beroepswerker, moeten we proberen onze beste werkers naar het buitenland te zenden. Vaak klonteren de ‘topbestuurders’ samen in het moederland. Daarmee wekken we de indruk dat het directe zendingswerk niet zo belangrijk is. Een bureaufunctie verschaft meer invloed. Hoe lag dat bij Jezus en de apostelen?

 

De gewenste opleiding

Een beroepszendeling moet iets kennen of kunnen waar ter plekke behoefte aan is. Hij/zij is een specialist, hetzij in geloofskennis, communicatie, pedagogiek, pastoraat,  drukker, arts, technicus, onderwijskracht, landbouwkundige, econoom enzovoorts. Een gedegen kennis van de Bijbel is voor iedereen van belang. De zendingswerker wordt niet alleen gezien als een specialist op zijn vakgebied. In veel gevallen zal hij/zij worden uitgenodigd om te preken of studies te leiden. Hij/zij moet passen in een team, dat als belangrijkste taak de verkondiging van het Evangelie heeft.

De beste training vindt plaats op de werkplek. Theoretische zendingstraining is van weinig nut als iemand niet tegen de hitte kan of bang is voor kakkerlakken, wanneer hij niet goed kan samenwerken met anderen of de lokale gewoonten niet goed kan verdragen… Het is het beste om een zendingswerker op het werkterrein te selecteren. Dat is ‘selectie op gaven’. Wanneer we alleen een beroepsopleiding vooraf als vereiste stellen, zal blijken dat een groot percentage van al diegenen die zo’n dure en lange opleiding hebben gevolgd, toch niet zo geschikt is voor haar taak. ‘Selectie op diploma’ is duur en onpraktisch.

 

Zendingsteams

Tot hiertoe had ik het over individueel zendingswerk. Maar in het boek Handelingen lezen we over zendingsteams. Het is veel gezonder om in groepsverband te werken. Dat voorkomt ontsporingen en eenzaamheid. In een team worden beslissingen collectief genomen. Alles wordt nog eens extra overwogen. En met een team heb je  meteen ook een functionerende gemeente, nog voordat lokale gelovigen erbij komen. Zij worden gemakkelijker opgevangen in een team dan door een individu.

Het is van belang dat zendingsteams hun eigen koers kunnen bepalen. Zodra ze gedetailleerde instructies moeten nakomen van besturen of kerkenraden in het moederland, lopen ze vast. Degenen die de opdrachten uitdelen, kennen de situatie in het werkgebied onvoldoende en maken daardoor tactische fouten. Dat belemmert de werkers te veel.

Het is van groot belang dat mensen in eenzelfde team passen. Dat vereist alle aandacht. Het is goed nieuwe werkers eerst een stage ter plekke te laten lopen, vooraf aan een definitieve aanstelling.

Niet alleen het zendingsteam speelt een rol. Ook degenen die hen ondersteunen kunnen het beste een team vormen. Zij voeren alle taken uit waar het zendingsteam behoefte aan heeft: aanschaf van goederen, geldwerving, regelen van administratieve zaken, communicatie van wat er gebeurt aan een ruimere achterban en vooral: gebed en meeleven.

Veel zendingsorganisaties zenden het liefst volledig geschoolde, gehuwde werkers uit. Die hebben vaak kinderen. Dat levert complicaties op bij opvoeding en onderwijs. Beter is het m.i. om jonge mensen, ongehuwd, in teamverband te laten werken in een land waar ze hun eigen ‘open deur’ kunnen vinden of huwen met iemand uit dat land of iemand uit het team, die al is aangepast aan de lokale cultuur. Dat kan als de teams niet te klein zijn en voortduren aangevuld worden met nieuwe kortverbanders en vrijwilligers. Vanaf het begin is dat echtpaar dan ‘thuis’ in de vreemde cultuur.

Een zendingsstage nog voor aanvang van een studie, is wenselijk. Vaak blijkt dat mensen, na een dure opleiding, niet goed kunnen aarden in hun werkgebied. Ze keren onverrichterzake terug. Opleiding en uitzending worden zo ‘weggegooid geld’. Dat valt te voorkomen.

 

Zending is een beweging

Veel zendingswerk is te statisch en mede daardoor weinig effectief. Ooit is de zending als een beweging begonnen. Een beweging is flexibel en (vaak) innovatief. Er is veel te zeggen voor de opzet van zending als een grotendeels vrije beweging. We moeten haar bevrijden van besturen die houden van vaste afspraken.

Persoonlijk initiatief, eigen creativiteit, de leiding van de Geest, het avontuur met God, de verrassing van steeds nieuwe uitdagingen en kansen, experimenteren met nieuwe methoden – dat hoort van nature bij zending.

Zoals ooit de beweging van Jezus en de apostelen het begin vormde van de kerk die uit haar ontstond, zo ontstaan er nu kerken door de zending. Ze moet inspelen op lokale mogelijkheden, de juiste mensen vinden en de (steeds veranderende) mogelijkheden uitproberen. Dat vergt een maximale flexibiliteit. We maken de zending dor en statisch wanneer ze gebonden is aan detaillistische taakomschrijvingen en tal van regels. De zending moet weer een beweging worden.

 

Zendingswerk is geen specialisme

We hebben in het Westen de neiging zending en evangelisatie te zien als het werk van specialisten. Dat is dé zondeval van de zending. Werk, dat van nature iets is van alle gelovigen, wordt verheven tot een beroepsactiviteit. Het meest eigenlijke van zending is: praten over Jezus. Evangelisatie! Dat is een taak voor alle gelovigen.

Zo is het toch ook in de kerk? Het meeste werk wordt door vrijwilligers gedaan. Evangelisatie? Idem dito. Zending? Op dit punt verkondigen kerken dat hiervoor hooggeschoolde en goed betaalde krachten nodig zijn. Daarmee wordt de zending gekortwiekt (te weinig medewerkers), te log en veel te duur. De plaats van de ‘gewone’ gelovige wordt over het hoofd gezien. Hij is er niet geschikt voor; hij is geen hooggeschoolde specialist. Dat is heel ongezond en een groot misverstand. Iemand heeft geen opleiding nodig om te evangeliseren; ook niet voor de zending in het algemeen. Kan hij zich aanpassen aan andere culturen? Dan kan hij aan de slag.  

Dat ligt iets anders voor een beroepszendeling. Dat is een deskundige in zijn eigen vak. Hij/zij werkt is een gewone gelovige met een bijzondere kennis. Die deskundige doet het werk van elke gewone gelovige (evangelisatie) en voegt daar zijn extra kennis aan toe. Zending is niet het werk van specialisten, maar specialisten kunnen wel worden toegevoegd aan de zending.

“Eén ding weet ik..., ik was blind, en nu kan ik zien...” (Johannes 9:25) Dat is een duidelijk getuigenis. Dat is zending ten voeten uit. Wie iets te vertellen heeft, moet dat doen. We moeten de ‘gewone’ gelovige weer aan de praat krijgen. Daar heb je geen geld voor nodig, maar wel geloof. Daarmee begint zending. Een ‘gewone’ gelovige reist door de wereld, voor zijn werk of op vakantie. Overal heeft hij iets te vertellen: “Eén ding weet ik...” Hij vindt open deuren voor het geloof. Hij verzamelt nieuwe gelovigen om zich heen, net zoals hij dat thuis deed. Die groepen kunnen uitgroeien tot een nieuwe kerk.

Omdat ‘zending’ behoort tot het normale leven van een gelovige, is het alleen maar vreemd als een gelovige geen zendeling is. “Maak alle volken tot Mijn discipelen…” Dat woord is gericht aan ‘gewone’ gelovigen (= discipelen). Zending begint bij de lokale gemeente.

 

De vrijheid van een zendingswerker

Een werker in den vreemde dient zijn eigen koers uit te zetten. Hij moet zijn gaven en talenten afstemmen op de mogelijkheden ter plaatse, uitvinden met wie hij goed kan samenwerken etc. Deden de apostelen dat ook niet? Sommige werkers vestigen zich ergens definitief, anderen reizen rond, zoals de apostelen dat deden. Een bestuur kan hem daarin op afstand begeleiden en adviseren, maar niet commanderen.

Wil iemand ‘de zending’ in? Dan is het niet nodig om een officiële functie te vervullen. Iedereen kan een beroep leren en dat in een vreemd land uitoefenen. Die persoon onderhoudt zo zichzelf en doet tegelijk geestelijke arbeid. Daar is geen organisatie voor nodig. Het is goed als de meerderheid van werkers in verre landen bestaat uit vrijwilligers. Die kunnen dan meewerken met lokale gelovigen of zendingsteams.

Sommigen ervaren de noodzaak van verdere scholing, terwijl ze al volop geestelijke arbeid verrichten. Is het niet het beste mensen daarin te laten groeien naar behoefte, in plaats van allerlei zware eisen vooraf te stellen?

 

De morele code van een zendeling

Een werker in het buitenland moet (net als ieder ander) voldoen aan een heldere morele code. Heiliging is geen hobby! Het is beter een stabiele gelovige uit te zenden dan een genie die wat losjes in de zeden is. Zonde blokkeert de omgang met God en mens en verlamt iemands geestelijke kracht.

Let erop dat de brieven van de apostelen vooral gaan over geloofsinhoud en het gedrag van de gelovigen. Ze leefden in een tijd waarin de zending hoogst belangrijk en zeer effectief was. Maar de brieven gaan nauwelijks over ‘de zending’. Daarover waren de mensen het blijkbaar wel eens. De toenmalige problemen waren vooral gebrek aan geloof, dwalingen en misstanden. Daar wordt de volle aandacht aan geschonken.

Een heldere en redelijke ethiek ontbreekt momenteel in veel kerken. Er is veel verwarring. Dat brengt verdeeldheid en krachteloosheid, ook in de zending.

Dit is één van de punten waarop besturen moeten letten en waar ze kunnen ingrijpen. Ze komen in actie wanneer iemand moreel een verkeerde weg inslaat en ook wanneer de zendeling een boodschap verkondigt die niet strookt met de algemeen binnen een kerk/kerkgenootschap aanvaarde leer.

 

Historische scheefgroei

Hoe ging het in het Nieuwe Testament? Predikers (niet alleen de apostelen) trokken de wereld in en verkondigden het Evangelie in grote gebieden waarvan ze de (voer-)taal kenden (vooral Aramees en Grieks). Ze verdienden soms hun eigen kost. Anders werden ze voortgeholpen door de gelovigen. Cultureel hoefden ze zich niet aan te passen. Rondom Israël waren grote gebieden, tot aan India en Georgië toe, waar men Aramees sprak. Die streken hadden jarenlang bij het ene na het andere wereldrijk gehoord (Assyrië-Babel-Perzië-Macedonië (Grieks). In de tijd van het Nieuwe Testament waren die gebieden verenigd in het Parthische rijk.

In het westen had je het Romeinse rijk. Daar was Grieks de voertaal. Dat was ook de moedertaal van veel Joden van buiten Israël (zoals de apostel Paulus). Ook daar kon iedereen gemakkelijk reizen, met dezelfde muntsoort betalen en zich verstaanbaar maken.

In de eerste eeuwen werd het Evangelie verbreid door handelaars, militairen en zeevarenden, dus: ambteloze gelovigen. Maar ook maakten geestelijke leiders grote reizen vanuit hun thuiskerk, zoals eerder de apostelen dat deden.

Vooral na de Reformatie kwam er een grote verandering. De protestantse landen waren ingesloten door een band van Rooms-Katholieke en Oosters Orthodoxe gebieden. Men vond et nogal gortig om aan andere Christenen het Evangelie te verkondigen. Rondom de eerste schil lag een tweede, de islamitische wereld. Die had het Evangelie weliswaar hard nodig, maar daar was veel vijandigheid.

Zo kwam de zending terecht in verre streken, meestal koloniën van Europese landen. Daar bestonden een rechtssysteem en veiligheid. Maar de talen en culturen verschilden radicaal van die van de werkers. Het duurde jaren voor een nieuwkomer om zich verstaanbaar te maken. Omdat de gemiddelde zendeling slechts 4 à 6 jaar in dienst bleef, waren er maar weinigen die zich ooit goed aanpasten en de vreemde taal leerden. Dat maakte de zending duur en weinig effectief. De meeste zendelingen in het verleden…  zijn nooit zendeling geweest. Ze stopten al voordat ze echt waren begonnen.

Met die verre landen hadden de werkers geen vanzelfsprekende relatie. Ze bleven vreemdelingen en bovendien vertegenwoordigers van de kolonisator. Sommigen slaagden er evenwel in om een goede band met de bevolking te ontwikkelen. Dat waren de uitzonderingen. De geschiedenis van de zending vertelt van meer mislukking dan succes.

De zending werd erg afhankelijk van hooggeschoolde beroepskrachten. Op die manier werd ze topzwaar. Daarmee werd ze exotisch, onbereikbaar voor de ‘gewone gelovige’ - hoewel het volgens de Bijbel voor iedereen is. (Zie het ‘zendingsbevel’.)

De zendeling bracht relatief veel luxe mee. Hij woonde in een goed huis en vaak gescheiden van de lokale bevolking. Hij was een outsider. Hij kon naar zijn land terugkeren als hij dat wenste of naar een gerenommeerd ziekenhuis en zijn kinderen zaten op een betere school dan de lokale kindertjes. Hij werd beschermd door de koloniale autoriteiten. Dat maakte de eenwording met de lokale gelovigen moeilijk. (De Rooms-katholieke missie deed het overigens beter, mede doordat de missiepaters zich vaak levenslang in het nieuwe land vestigden en ook omdat ze in groepsverband leefden. In die groepen werden lokale gelovigen opgenomen.)

 

Het voorbeeld van de Nestorianen

Het is helaas weinig bekend dat de grootste zendingsbeweging aller tijden (na de apostelen) plaatsvond van 600 tot ongeveer 1100, vooral in Azië. Vele miljoenen in Mongolië, China, Centraal-Azië, India, Afghanistan, Arabië, tot in Azerbeidzjan en de Hoorn van Afrika werden daardoor gelovig. Hoe dat in zijn werk ging? Reizen was moeilijk en er was geen postsysteem. Dus: er was nauwelijks contact van de zendeling met zijn moederland. Zendelingen verdienden de kost als handelaren of ze trokken op met groepen handelaren uit hun thuisland die hen ter plekke ondersteunden. Ze waren, ook als handelaar, gepokt en gemazeld in het geloof door hun thuiskerk. Zo konden ze zichzelf bedruipen, wisten wat ze geloofden en konden kerken stichten.

Een handelaar woont op de plek waar hij de kost kan verdienen. Hij moet zich aanpassen en andere talen leren, anders mislukt hij. Vaak zal hij iets opbouwen wat het hem onmogelijk maakt snel weer te vertrekken. Hij is een blijvertje én natuurlijk ook cultureel aangepast. Daarmee is hij een getuigende en onbezoldigde gelovige in den vreemde. Dat is de ideale zendeling. Hij komt niet ten laste van zijn moederkerk.

De Nestorianen (d.i. de Kerk van het Oosten of ook: de Syrisch-Orthodoxe Kerk) gebruikten Bijbelse zendingsprincipes. Die blijken enorm vitaal. En dat is veel vaker zo gebeurd. De krachtigste zendingsdoorbraken hadden alle diezelfde trekken, te weten: inschakeling van vrijwilligers, een duidelijke boodschap, contact met de lokale bevolking, oproep tot bekering, intensief Bijbels onderricht. 

Dat de zending van de laatste twee eeuwen niet die Schwung had als die van de Nestorianen 1000 jaar eerder, heeft deels te maken met politieke en economische factoren. De koloniale handel werd angstvallig gescheiden gehouden van de kerk. De zending kwam daardoor geheel ten laste van de kerken in het moederland. Verder hielden de koloniale overheden zending en missie kort om godsdienstige spanningen te voorkomen. De ‘Christelijke’ naties waren zelf de grootste vijand van de zending.

Het is van belang erop te letten dat de Nestorianen zendingsgroepen vormden, waarin zakenmensen en zendelingen een eenheid vormden. Zodoende was dat zendingswerk ook financieel mogelijk.

 

Vernieuwd zendingswerk in de eenentwintigste eeuw

Voortdurend zien we nieuwe initiatieven opkomen. In de tweede helft van de vorige eeuw was dat o.a. zending met teams van vrijwilligers. Dat was een grote tegenstelling met de bestaande gewoonten, namelijk de uitzending van louter hoog opgeleide specialisten, die vaak alleen een project moesten runnen.

Voorbeelden zijn Operatie Mobilisatie en Youth with a Mission. Ze maakten gebruik van vrijwilligers zonder specifieke opleiding. Een eeuw eerder waren er al van die bewegingen geweest, die lange tijd een krachtig internationaal getuigenis hebben laten horen: YMCA, YWCA en andere. Maar die hadden niet de flexibele opzet van O.M. of YWAM. Die bewegingen bleken heel effectief en relatief goedkoop.

De zendingsorganisaties zaten grotendeels juist op het spoor van steeds meer professionalisering. Uitzending van hoog geschoolde werkers is relatief duur. Bovendien professionaliseerden ook de zendingsbesturen. Ze volgden het model van de besturen van bedrijven en scholen, dat zijn min of meer statische entiteiten. De macht van de bestuurders nam toe, de zending werd steeds minder flexibel.

Bewegingen zoeken naar vrijwilligers die mee willen werken. Hun aantrekkelijkheid bestaat voor een groot deel uit hun groepsverband. Groepen trekken mensen aan. Dat vergemakkelijkt gemeentestichting. Mensen binden zich niet snel aan een persoon, maar voelen zich wel thuis in een groep.

Een team is een geschikt middel voor training. Ze levert voortdurend nieuwe werkers af. Mochten die een verdere opleiding nodig hebben, dan kan die alsnog volgen. Belangrijker is het vinden van de mensen die zich aan de groep en de lokale omstandigheden kunnen aanpassen.

 

Visie

Paulus richtte zich voornamelijk op de bestuurlijke centra. Zodra daar een levende gemeente ontstond, kon hij het werk in de wijde omgeving aan haar overlaten. Te veel zendingswerk vindt plaats in de periferie, in dorpen en afgelegen streken. Dat veroorzaakt veel verlies aan effectiviteit. De grote centra beschikken over macht en (enig) geld. De kerken daar kunnen al snel zichzelf bedruipen. Zendingswerkers leren de nieuwe gemeenten om effectief te evangeliseren. Valt het zendingswerk stil, dan gaan de gemeenten gewoon door.

Op zoek naar werk komen mensen uit de dorpen en uit minderheidsgroepen naar de stad. Daar horen ze van het geloof. Zonder de sociale controle van hun dorp staan ze daar veel meer voor open. Die nieuwe gelovigen kunnen bij hun terugkeer beter dan wie ook het Evangelie in hun omgeving doorgeven. Zij spreken het lokale dialect of de stamtaal. Elke nieuwe gelovige is een sleutel die past op zijn eigen leefgemeenschap.

Het voordeel van lokale werkers? Zij hebben de nationaliteit van het land (dus kunnen ze niet uitgewezen worden), spreken de taal, kennen de gewoonten en zo meer. Een buitenlander krijgt te maken met veel bureaucratie en juridische complicaties. Hij is het meest effectief als trainer en inspirator.

De apostel Paulus begon zijn evangelisatiewerk in synagogen. Daar kwamen vooral de hellenistische joden tot geloof (die meer messiaans gezind waren dan de Farizeeën), proselieten en heidense vrienden van de synagoge. Die vormden de kern van een nieuwe gemeente. Hen zette hij dan weer in om de andere niet-Joden te bereiken.

Een goede visie voor kerk en zending moet zijn: helder, eenvoudig, toepasbaar voor iedereen. Zending moet erop gericht zijn de massa’s te winnen’. Kerk en zending moeten alles op alles zetten om een heldere visie te ontwikkelen. Wat willen we bereiken? Hoe? Door wie? Hoe duur? Hoe lang neemt dit in beslag? Deze en andere vragen beantwoordt een goede visie.

Vaak ontbreekt een heldere visie en een goed doordachte methode. Dat is net zoiets als een huis bouwen zonder bestek. Dat wordt een mislukking. Veel zendingswerk is klungelwerk. De zending - en vooral elk zendingsteam - doet er goed aan duidelijke, meetbare doelen te stellen.

 

Adviezen voor zendingsorganisaties/zendende kerken

* Neem niemand aan die niet van plan is minstens tien jaar weg te blijven. (Anders ben je iemand - in wie veel geld geïnvesteerd is - kwijt voordat hij effectief is).

* Geef voorkeur aan mensen die met iemand uit het ontvangende land gehuwd zijn.

* Neem niemand aan die geen duidelijke bijdrage aan kerk en evangelisatie in eigen land heeft geleverd. (Wie hier niet kan voetballen, kan dat elders ook niet.)

* Geef geen vaste taakomschrijvingen maar wel principes mee.

* Concentreer je op basistaken (verkondiging, evangelisatie, bijbelonderwijs aan de basis, bijbelverspreiding/-vertaling).

* Schaar sociale en welzijnstaken niet onder zending. Dat zijn ze niet, hoe zeer ook nodig. Breng ze onder in een hulpverleningsorganisatie. Dat zal in veel landen ook gemakkelijker zijn in verband met het verkrijgen van een verblijfs- en werkvergunning.

* Accepteer geen werker die alleen maar kundig is, maar geen evangelist. Dat wekt een verkeerde indruk, namelijk dat de evangelieverkondiging niet meetelt.

* Wie niet effectief is, moet snel vervangen worden.

* Stuur mensen uit die zich snel verbroederen met de lokale bevolking en hun taal en cultuur gebruiken en hoogachten.

* Begin de zendingsopleiding met een buitenlandstage. Dat is doeltreffender dan iemand eerst een dure opleiding te laten volgen, om daarna pas zijn effectiviteit, gaven en aanpassingsvermogen te testen.

* Selecteer toekomstige zendingswerkers uit diegenen, die er blijk van geven een goed werk in het buitenland/andere culturen te kunnen doen.

* Laat de begeleiding vooral plaatsvinden door zendingsteams ter plekke.

* Stuur niemand uit als beroepszendeling die lokale gelovigen werk uit handen neemt. Juist de lokale gelovigen moeten aan het werk worden gezet en zij zijn bovendien goedkoper.

* Zendingswerkers moeten er blijk van geven de leer van hun kerk goed te kennen en te onderschrijven. Voor mensen met afwijkende ideeën is geen plaats. Dan schep je problemen.

* Werk in de eerste plaats met vrijwilligers; ga banden met economische- en onderwijsorganisaties aan, waar gelovige vakmensen uit het zendende land kunnen werken. Zij kunnen dan een flink deel van hun tijd vrijmaken voor evangelisatie en bijbelonderwijs.

* Stuur alleen specialisten uit als er behoefte aan bestaat.

* Elke zendeling is naast verkondiger ook trainer; hij doet voor, legt uit, traint, schakelt in en maakt zichzelf overbodig.

* Help potentiële medewerkers aan werk-/stageplekken. (De zending is dan ook een soort internationaal arbeidsbureau!)

* Land na land sluit voor de traditionele zending, hoewel de internationale contacten en mensen die buiten hun eigen land verblijven toenemen. De toekomstige zendeling is een ambteloze werker in het buitenland.

* Stimuleer gelovigen om bedrijven in arme landen op te zetten, onafhankelijk van kerk en zending. Dan hoef je geen ziekenhuis of school te bouwen; dat kunnen de mensen daar dan zelf betalen.

* Stel duidelijke doelen. Werkers die (zonder afdoende reden) het doel niet halen, zijn niet goed te gebruiken.

* Elke gelovige die buitenslands gaat is een zendeling – en kan worden gecoacht door ‘de zending’, ook al is zijn dagelijkse werk sport, onderwijs, zakendoen, hulpverlening etc.

* Ga geen verbintenissen aan waardoor de lokale gelovigen financieel of geestelijk afhankelijk worden van ‘de zending’.

 

Bestuur

Er doet zich een probleem voor op het bestuurlijke vlak. Waartoe dient een zendingsbestuur? Om het werk op ‘het veld’ te regelen? Dat is de veronderstelling van heel wat zendingsorganisaties en kerkelijke zendingsdeputaten. Ze zijn gewend aan de statische bestuurlijke structuur van een kerkgenootschap of ze imiteren de structuur van bedrijven met een directie aan het hoofd. Maar een statische structuur is heel anders dan de dynamiek die een zendingsteam vereist.

Het bestuur dient de beslissingsbevoegdheid van het team op het veld te erkennen. Haar taak bestaat uit vijf dingen:

het verzorgen van informatie over en weer;

het werven en doorsturen van geld en controle achteraf op de geldbesteding (is dit gebeurd volgens afspraak en ordelijk?)

controle op de levenswijze en de leer van de werkers (vaak in overleg met partners in de betreffende landen);

ingrijpen bij onenigheid in het team of zoeken naar een vervanger als er iemand wegvalt.

Het verrichten van complexe taken als hulp bij juridische zaken of inspringen bij ziekte en het regelen van medische hulp.

Het is als met een chauffeur. Hij neemt zijn eigen beslissingen, maar binnen een gegeven kader. Het is onmogelijk voor de directie van een bedrijf de talloze dagelijkse beslissingen van de chauffeur in het verkeer over te nemen.

Het bestuur van een zendingsteam komt ook niet toe aan de kerken in het werkgebied. Dat is een andere misvatting, die in de tweede helft van de eenentwintigste eeuw opgeld deed. Het bestuur van de zending werd in handen gegeven van synoden en besturen van denominaties in de zendingsgebieden. Maar wat weten kerkelijke besturen van de behoeften van de zending? Weinig bestuurders hebben voldoende feeling met de strategie van zending en evangelisatie. Het is een ramp zendelingen door hen te laten leiden. Je stuurt een geestelijk leider uit eigen land naar elders en die wordt daar dan loopjongen…

Degene die wordt uitgezonden, of die zelf zijn weg zoekt in den vreemde, heeft een apostolaire taak. Hij kan die slechts met een grote mate van vrijheid vervullen. Hij werkt wel samen met de lokale kerk(en), maar je kunt hem niet aan een touwtje (laten) binden. Zendingswerkers en-teams kennen hun omgeving goed en ook hun eigen methodiek en mogelijkheden. Buitenstaanders kunnen dat onvoldoende inschatten. Deskundigen moet je de vrijheid geven om te werken naar eigen inzicht, anders frustreer je hen.

Wie het geld heeft, heeft de macht. Dat geldt bijna overal. Wie het geld heeft, commandeert. Daarom is het beter om het gezag over het zendingsgeld niet toe te vertrouwen aan besturen in het moederland, maar aan de werkers. Het is hun geld. Het is gegeven voor hun werk. De besturen in het moederland kunnen controleren en doorsturen, maar niet regeren door middel van het geld. (Natuurlijk, als er geld is toegekend voor een bepaald doel, moet ook het zendingsteam dat respecteren, of met de gevers in gesprek gaan om het doel aan te passen. Dat is de vereiste van transparantie die overal geldt.)

Is het zendingskantoor de ‘baas’ van de zendingswerker, of is ze juist zijn dienaar? Hier zien we een wonderlijk verschil met het Nieuwe Testament. Daar nam de apostel, of beter: het apostolische team, de beslissingen. In veel zendingsorganisaties is de zendeling de uitvoerende kracht en heeft het zendingsbestuur de feitelijke leiding. Zendelingen zijn vaak managers in plaats van leiders. Dat is een grote zwakte. De leider gaat voorop en laat zijn doelen niet door anderen bepalen Wie leidt de zendeling in zijn dagelijkse beslissingen? Toch niet de mensen die aan de kant staan?

Zendelingen hebben nu meestal twee bazen: in het thuisland het zendingsbestuur én de kerk van het ontvangende land. Is een van beide geestelijk ingeslapen, niet geïnteresseerd in evangelisatie of andere taken of afgeweken van de Bijbel, dan verlamt dat de effectiviteit van het zendingswerk ten zeerste. We moeten zendingsteams bevrijden van die bevoogding.

Net als in de Bijbel ligt er een taak voor zendingsbesturen, net zoals de leiders van de kerk in Jeruzalem dat hadden voor de apostelen.

 

Nawoord

Ik sta voor een aantal diepgaande wijzigingen in de zending. Het kan en moet anders, beter en effectiever. En dat kan ook. Nu is slechts nog durf nodig bij zendingswerkers en zendingsorganisaties!

 

 Bram Krol

7 maart 2023

 

(Dit is een bewerking van het artikel: Zending – een vernieuwende aanpak, A.J Krol, 2 mei 2014. Gewijzigd en diverse keren aangevuld, het laatst op 8 april 2020. Deze inzichten ontstonden gedurende meer dan 50 jaar ervaring met zending en evangelisatie, kerk en kring in enkele Europese landen, India, Nepal, Dem. Republiek Kongo, Ivoorkust, Liberia, Guinee, Ghana, Somaliland, Peru e.a.

 

Lees ook over de zendingsgeschiedenis en -principes de digitale brochure: https://www.bramkrol.com/gemeentegroei/brochures/331-brochure-gedegen-rebellie-in-de-zending  

 

 Lees ook van Bram Krol de Brochure "Gedegen rebellie in de zending"